Tuchtreglement

Dit tuchtreglement is opgemaakt, besproken en goedgekeurd door de Algemene Ledenver­gadering van de Darts Organisa­tie Threant, d.d. 23 april 2014. Eerdere versies komen hiermee te vervallen. Zaken, aanhangig gemaakt voor de bovengenoemde datum, zullen volgens het toen geldende tuchtreglement worden behandeld.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Tuchtrechtspraak

 

            De tuchtrechtspraak binnen Darts Organisatie Threant, hierna te noemen D.O.T., ge­schiedt uit­slui­tend

            krachtens dit reglement. De

            leden regelen zelf hun interne geschillen, voor­ zover deze geen betrekking hebben op overtredingen als

            bedoeld in artikel 11.

 

Artikel 2. Wijzigingen van dit reglement

 

            De bepalingen van dit reglement worden gewijzigd door de algemene ledenverga­dering.

 

Artikel 3. Jurisdictie

 

1.         Aan de tuchtrechtspraak ingevolge dit reglement zijn onderworpen de in artikel 4 van de Statuten

            genoemde leden en de personen aanwezig bij evenementen onder auspiciën van de D.O.T..

2.         De term "lid" in dit reglement bevat de in lid 1 genoemde personen.

 

Artikel 4. Bevoegdheid.

 

1.         De bevoegdheid tot het uitoefenen van de tuchtrechtspraak is met uitsluiting van andere organen

            voorbe­houden aan de tuchtcommissie van de D.O.T. en, in beroep, de Commissie van Beroep (CvB), de

            tuchtcom­missie van de NDB alsmede het I.S.R. als bedoeld in artikel 16, lid 2 onder a, van de Statuten van

            de NDB.

2.         De bevoegdheid tot het nemen van administratieve maatregelen is met uitsluiting van andere organen

            voorbehou­den aan het bestuur van de D.O.T..

3.         De in dit artikel genoemde organen vervullen hun taak onafhankelijk van elkaar.

4.         De tuchtcommissie van de NDB kan optreden als extra commissie van beroep.

 

 

Hoofdstuk 2. Tuchtrechtelijke organisatie

 

Artikel 5. Commissies

 

Tuchtcommissie

1.         Een commissie bestaat uit vijf leden, waaronder een voorzitter.

2.         a.         Twee leden van een tuchtcommissie worden gekozen voor de duur van vier jaar door de algemene

                        ledenvergadering, een lid van de commissie wordt gekozen voor de duur van drie jaar. Eén van

                        drie wordt door de alge­me­ne leden­ver­ga­de­ring in de func­tie van voorzit­ter gekozen.

            b.         Twee leden van een tuchtcommissie worden gekozen voor de duur van twee jaar.

            c.         De gekozen leden hebben zitting vanaf de dag volgende op de algemene ledenver­gadering waarin

                        zij zijn gekozen, tot en met de dag waarop de volgende algemene ledenvergadering wordt

                        gehouden. Mochten er geen dringende redenen zijn wordt de zittingsperiode voortgezet met een

                        tweede periode.

            d.         Wanneer ten gevolge van een tussentijds aftreden het aantal leden van een com­missie minder dan

                        vijf bedraagt, is het bestuur van de D.O.T. bevoegd, in overleg met en op verzoek van de

                        desbetref­fende commissie één of meer leden ad interim te benoemen, welke benoeming

                        uitsluitend geldig is tot de eerstvolgende algemene ledenvergadering, waarop deze benoemd kan

                        wor­den.

3.         Tot op de betreffende algemene ledenvergadering kan ieder lid van de D.O.T. kan­didaten voorstellen

            voor aftredende leden van een tuchtcommissie.

4.         Het lidmaatschap van de commissie eindigt:

            a.         door beëindiging van het lidmaatschap, als bedoeld in artikel 6 van de Statuten;

            b.         wanneer het lid niet wordt herkozen;

            c.         door bedanken.

5.         De behandeling van een zaak kan geschieden door minstens drie leden van de tuchtcom­missie.

 

Commissie van Beroep

1.         Een commissie bestaat uit drie leden.

2.         De leden van de CvB hoeven geen lid te zijn van de D.O.T., maar dienen wel affiniteit te hebben met de

            Dartssport.

3.         De leden van de commissie hebben zitting voor onbepaalde tijd en worden door het Dagelijks Bestuur

            gevraagd om zitting te nemen.

4.         De leden van de commissie opereren in de anonimiteit

5.         De leden van de commissie kiezen zelf een voorzitter. De voorzitter zal het contact onderhouden naar het

            Dagelijks Bestuur.

6.         Bij minder dan drie leden draagt het Dagelijks Bestuur er zorg voor dat er een nieuw commissielid

            geïnstalleerd wordt.

 

 

Artikel 6. Onverenigbaarheden

 

1.         Leden van een tuchtcommissie kunnen geen deel uitmaken van het bestuur van de D.O.T..

2.         De leden van een tuchtcommissie mogen niet aanwezig zijn bij een zaak, indien zij bij de zaak betrokken

            zijn, hetzij persoonlijk, hetzij door familiebanden, hetzij als functionaris, hetzij als lid van een dartsteam

            c.q. dartsver­eniging die bij de zaak betrokken is.

 

Artikel 7. Voorzitter

 

1.         De voorzitter van een tuchtcommissie coördineert de werkzaamheden van zijn/haar­ commissie, bepaalt en

            wijzigt in voorkomende gevallen de samen­stel­ling van de commissie gelet op artikel 6, lid 2 en bevordert

            waar mogelijk unifor­miteit in de uitspraken. Bij stakende stemmen telt de stem van de voorzitter dubbel.

2.         Aan de voorzitter komen de bevoegdheden toe, welke hem/haar krachtens dit regle­ment zijn toegekend.

3.         De tuchtcommissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan en een secretaris.

 

Artikel 8. Bevoegdheden tuchtcommissie

 

1.         De tuchtcommissie is bevoegd kennis te nemen van alle overtredingen als bedoeld in artikel 11, mits het

            bepaalde in lid 2 in acht wordt genomen.

2.         a.         De tuchtcommissie van de NDB is, met inachtneming van het bepaalde in artikel 30, bevoegd om in

                        beroep kennis te nemen van alle zaken welke in eerste aanleg door de CvB van de

                        D.O.T. zijn behandeld.

b.         De tuchtcommissie van de NDB is tevens bevoegd om in beroep kennis te nemen van zaken, welke

            overeenkomstig het bepaal in artikel 13, lid 4 niet door de CvB van de D.O.T. in behandeling zijn genomen.

 

Artikel 9. Bondskantoor

 

1.         Het bondskantoor is belast met de administratieve verwerking van strafzaken.

2.         Op verzoek van de desbetreffende commissie kan het bestuur van de DOT in overleg met de

            desbetreffende functionaris voorzien in het secretariaat van de Tuchtcommissie.

 

Hoofdstuk 3. Overtredingen

 

Artikel 10. Voorafgaande bepalingen

 

1.         De in dit reglement bedoelde overtredingen kunnen alleen worden bestraft ingevol­ge een op het moment waarop de overtreding is

            begaan van toepassing zijnde bepaling in de Statuten, reglementen, wedstrijd bepalingen, dan wel een

            reeds van kracht zijnde besluit van het bestuur van de D.O.T. krachtens welke overtre­ding van de

            gestelde regel strafbaar is gesteld. Dit besluit moet kenbaar zijn gemaakt aan de leden voordat zij

            daadwerkelijk in werking treedt.

2.         Indien de lid 1 bedoelde bepalingen worden gewijzigd na het tijdstip waarop het feit is begaan, worden

            voor de betrokkene gunstige bepalingen toegepast.

 

Artikel 11.        Overtredingen

 

1.         Als overtreding in de zin van dit reglement wordt beschouwd elk handelen of nalaten dat een schending

            oplevert van:

            a.         een bepaling in de Statuten;

            b.         een bepaling in het huishoudelijk reglement;

            c.         een bepaling in het wedstrijdreglement;

            d.         een bepaling in het toernooireglement;

            e.         een besluit van het bestuur van de D.O.T., uitvoeringsbesluiten hierbij in­begrepen;

            f.          een bepaling in het tuchtreglement.

2.         Voorts wordt als overtreding aangemerkt elk handelen of nalaten, waarbij een lid zich jegens een ander

            lid, vereniging, team, orgaan, of een commissie niet gedraagt naar hetgeen door de redelijkheid en

            billijkheid wordt verlangd.

3.         Iedere schending van een bepaling als bedoeld in de leden 1 en 2 levert een afzon­derlijke schending op.

4.         Onder overtreding wordt mede verstaan het niet, niet tijdig of in onvoldoende mate nakomen van

            verplich­tingen, alsmede het gelegenheid bieden tot, het vergemakke­lijken van- of het behulpzaam zijn bij

            het plegen van een in dit artikel bedoelde overtreding.

 

Artikel 12. Strafbaarheid

 

1.         Voor de strafbaarheid van de in artikel 11 bedoelde overtredingen is opzet, schuld, nala­tigheid of

            onzorgvul­digheid van de betrokkene vereist.

2.         Krachtens dit reglement kunnen ook straffen worden opgelegd in het geval ter zake van dezelfde

            gedraging, wanneer door een competitieleider reeds een straf of maat­re­gel is opgelegd, alsmede in het

            geval wanneer door een officier van justitie tegen de be­trok­kene een strafvervolging is, of zal worden

            ingesteld, dan wel nadat na een strafver­vol­ging een straf of maatregel is opgelegd of de betrokkene is

            vrijgespro­ken.

 

Hoofdstuk 4. Het aanhangig maken van de zaak

 

Artikel 13. Het aanhangig maken van een zaak

 

1.         a.         Een zaak wordt aanhangig gemaakt door een bij de voorzitter van de tucht­commis­sie schriftelijk

                        gedane aangifte.

            b.         De bedoelde aangifte wordt verzonden aan het bondskantoor van de D.O.T., dat binnen vijf

                        werkdagen na ontvangst, zorg draagt voor verzending naar de voorzit­ter van de desbetreffende

                        commissie.

2.         Ieder lid van de D.O.T., dat meent dat een ander lid van de D.O.T. een overtreding heeft begaan als

            bedoeld in dit reglement, kan daarvan schriftelijk aangifte doen bij de voor­zit­ter van de tuchtcommissie.

3.         Zaken betreffende de competitie worden eerst aanhangig gemaakt bij de competi­tieleider. Overige zaken

            worden in eerste aanleg aanhangig gemaakt bij de tucht­commissie, die de zaak zo spoedig mogelijk, doch

            binnen drie weken in behande­ling neemt.

4.         a.         Indien de competitieleider van oordeel is dat de aangifte onge­grond is of niet een strafbare hande

                        ling betreft, dan wel dat de aangifte niet binnen redelijke termijn is gedaan, beslist hij/zij dat er

                        geen verder gevolg aan zal worden gegeven.

            b.         Van deze beslissing worden onverwijld in kennis gesteld dege­ne, die de aangifte heeft gedaan en

                        degene tegen wie zij is gericht, de tucht­com­missie en voorts hen die daartoe naar het oordeel van

                        de competi­tielei­der in aan­merking komen.

            c.         Wordt een strafbaar geacht feit niet vervolgd, dan kan de belanghebbende daarte­gen in beroep

                        gaan bij de tuchtcommissie. De tuchtcommissie beoor­deelt in dat geval alleen over de beslissing

                        om niet te vervolgen en verwijst de zaak na gegrond verklaring van het hiertegen gestelde beroep

                        terug naar de competitieleider.

5.         a.         Indien de voorzitter van de tuchtcommissie van oordeel is dat de aangifte onge­grond is of niet een

                        strafbare handeling betreft, dan wel dat de aangifte niet binnen redelijke termijn is gedaan, beslist

                        hij/zij dat er geen verder gevolg aan zal worden gegeven.

            b.         Van deze beslissing worden onverwijld in kennis gesteld dege­ne, die de aangifte heeft gedaan en

                        degene tegen wie zij is gericht en voorts aan hen die daartoe naar het oordeel van de voorzitter

                        van de tuchtcom­missie in aan­mer­king ko­men.

            c.         Wordt een strafbaar geacht feit niet vervolgd, dan kan de belanghebbende daarte­gen in beroep

                        gaan bij de CvB. De CvB be­oor­deelt in dat geval alleen over de beslissing om niet te ver­vol­gen en

                        verwijst de zaak na gegrond verklaring van het hiertegen gestelde beroep terug naar de

                        tuchtcommissie van de D.O.T..

6.         De tuchtcommissie en competitieleider zijn niet bevoegd een aanhangig gemaakte zaak in behan­de­ling te

            nemen indien:

            a.         de beweerde overtreding niet krachtens dit reglement strafbaar is gesteld, of wan­neer;

            b.         de beweerde overtreding van het wedstrijdreglement meer dan tien dagen vóór de datum van

                        ontvangst van het formulier of van de aangifte op het bondskantoor heeft plaatsgevonden.

7.         Ingeval de voorzitter of de competitieleider meent dat de zaak niet tijdig aanhangig kan wor­den ge­maakt,

            bepaalt hij/zij dat de zaak alsnog in behandeling zal worden geno­men. Daarbij draagt hij/zij  zorg voor een

            schriftelijke motivering van zijn beslis­sing.

8.         a.         Indien meer zaken binnen een tijdsbestek van twee maanden tegen één betrokkene aanhangig zijn

                        gemaakt, kan de voorzitter van de tuchtcommis­sie respectievelijk de competitieleider beslissen

                        dat de zaken tegelijk en/of gevoegd worden behandeld.

            b.         Indien tegen meer personen te zake van dezelfde overtreding, zaken aan­hangig ­zijn gemaakt,

                        beslist de voorzitter van de tuchtcommissie res­pec­tie­velijk de competitie­leider of die zaken

                        gezamenlijk of afzon­derlijk zullen worden behandeld.

 

Artikel 14. Het aanhangig maken van overige overtredingen

 

1.         a.         De aangifte, als bedoeld in artikel 13, geschiedt schriftelijk en dient zo nauwkeurig mogelijk te

                        omschrij­ven welke overtreding zou zijn gepleegd, alsmede door wie, waar en wanneer dit zou zijn

                        geschied; voorts dienen de naam en het adres van degene die aangifte doet en van eventuele

                        getuigen te worden opgegeven.

            b.         De aangifte dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de constatering of de

                        kennis­neming van de overtreding te worden ingediend.

            c.         De aangifte geldt als basis voor de tenlastelegging. De tenlastelegging wordt opge­steld door de

                        voorzitter van de tuchtcommissie, zodra hij/zij meent dat de zaak in behandeling genomen kan

                        worden. De voorzit­ter formuleert de tenlastelegging binnen de grenzen van hetgeen in de aangifte

                        is bedoeld en/of geïmpli­ceerd.

            d.         Het doen van een kennelijk onzorgvuldige aangifte kan als overtreding worden aangemerkt.

2.         a.         Op verzoek van de voorzitter verzamelt de secretaris van de tuchtcommissie nadere gegevens,

                        welke de voorzitter ter beoordeling van de gegrondheid van de aangifte dienstig voorkomen. De

                        voorzitter kan deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk aan één of meer leden van de commissie

                        overdragen.

            b.         Een lid is verplicht alle gevraagde inlichtingen, stukken en gegevens waar­over hij beschikt onver

                        wijld op eerste verzoek te verstrekken.

3.         a.         Zodra de voorzitter meent dat de zaak in behandeling kan worden genomen, stelt hij de aangifte en

                        bijbehorende stukken terstond in handen van de andere leden van de commissie.

            b.         De voorzitter doet hiervan mededeling aan de betrokkene. Aan degene die de aangifte heeft

                        gedaan, wordt een bevestiging van de aangifte toegezon­den. De mededeling bevat:

                        1.         de overtreding, welke de betrokkene ten laste wordt gelegd, een aanduiding van tijd en

                                   plaats waarop deze zou zijn begaan, alsmede door wie de zaak aanhangig is gemaakt;

                        2.         een opgave waar en wanneer de betrokkene welke stukken kan in­zien en voor zover van

                                   belang en moge­lijk;

                        3.         een opgave van de termijn waarbinnen de betrokkene een ver­weerschrift kan indienen;

                        4.         de door de commissie op te roepen getuigen, voor zover bekend op dat tijdstip.

 

Hoofdstuk 5. Mondelinge behandeling van de zaak

 

Artikel 15. Mondelinge behandeling

 

1.         De mondelinge behandeling geschiedt op grond van de tenlastelegging, naar aan­leiding van de aangifte,

            als bedoeld in artikel 13, lid 1.

2.         a.         De secretaris van de commissie roept de betrokkene en andere personen op, waarvan de

                        tuchtcom­missie de verschijning wenselijk acht, zulks met in­achtneming van een termijn van

                        tenminste tien dagen, de dag van de ver­zending en die van de behandeling niet meegerekend.

            b.         Met uitzondering van de betrokkene kunnen de andere onder a. bedoelde personen in

                        spoedeisende gevallen tot vierentwintig uur voor de behandeling worden opge­roepen.

            c.         De secretaris doet aan de betrokkene telkens opgave van de plaats waar en de tijd waarop de

                        zitting wordt gehouden en zo mogelijk de namen van de leden die de zaak behandelen.

3.         De mondelinge behandeling vind achter gesloten deuren plaats, tenzij de com­mis­sie anders beslist,

            indien naar haar oordeel het belang van de D.O.T. dit vereist.

4.         Indien de betrokkene een volledige- of beperkte rechtsbevoegdheid bezittende vereniging is, dient deze

            zich te doen vertegenwoordigen door tenminste twee bestuursleden, die daartoe ingevolge haar Statuten

            bevoegd zijn dan wel door haar bevoegde bestuursleden gemachtigd zijn.

5.         Van de mondelinge behandeling wordt een schriftelijke, zakelijke samenvatting gemaakt, welke door de

            voorzitter en de secretaris van de commissie wordt onder­tekend. De betrokkene en degene die de

            aangifte doet ontvangen hiervan een afschrift.

6.         De leden van de commissie onthouden zich van het bespreken van zowel de zaak als van de persoon van

            de betrokkene met anderen dan de leden van de tuchtcom­missie, of met de betrokkene, behoudens

            tijdens de mondelinge behandeling.

 

Artikel 16. Zitting

 

1.         De voorzitter bepaalt de datum, tijdstip en plaats waarop de zitting zal worden gehouden.

2.         Na de opening van de zitting gaat de voorzitter na of de opgeroepen personen en/of degenen die een

            dartsvereni­ging vertegenwoordigen aanwezig zijn en de presentie­lijst hebben getekend.

3.         a.         Indien de betrokkene niet is verschenen, gaat de commissie na of hij/zij behoorlijk is opgeroepen.

                        Heeft geen behoorlijke oproeping plaatsgevonden of meent de commissie om een andere reden

                        dat uitstel van de behandeling gewenst is, dan stelt zij de behandeling tot een nader te bepalen

                        datum uit, van welke datum de betrok­kene schriftelijk in kennis wordt gesteld.

            b.         Indien een door de commissie belangrijk geachte getuige niet is verschenen, kan de commissie

                        bepalen dat de behandeling, geheel of gedeeltelijk zal worden uitgesteld, in welk geval de

                        betrokke­ne opnieuw zal worden opge­roepen.

4.         Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan van de zakelijke inhoud van alle op de zaak betrekking

            hebbende stukken, indien hij daarvan niet voor de behandeling kennis heeft genomen, of heeft kunnen

            nemen.

5.         a.         Indien de commissie zulks noodzakelijk acht, kan de tenlastelegging door haar worden gewijzigd,

                        echter binnen de grenzen van hetgeen is bedoeld en/of geïmpli­ceerd in de aangifte.

            b.         De voorzitter doet de betrokkene terstond van de onder a. bedoelde wijzi­ging mededeling en deelt

                        de betrokkene voorts mede dat hij/zij om schor­sing van de behandeling kan verzoeken indien hij

                        meent door de wijziging aanmerkelijk in zijn verdediging te worden geschaad.

            c.         Indien de betrokkene om schorsing van de behandeling verzoekt, bepaalt de voor­zitter datum, uur

                        en plaats waarop de behandeling zal worden voortge­zet. De betrokkene ontvangt in dat geval

                        binnen een week na de geschorste behandeling de gewijzigde tenlastelegging.

            d.         Indien de betrokkene meent dat de behandeling na een korte schorsing kan worden voortgezet,

                        schorst de voorzitter de behandeling voor ten hoogste twintig minuten, waarna de behandeling

                        wordt voortgezet. Indien mogelijk wordt aan de betrokkene de gewijzigde tenlastelegging

                        schriftelijk ter hand gesteld.

6.         De betrokkene wordt tijdens de mondelinge behandeling door de voorzitter, respec­tievelijk de leden van

            de commissie ondervraagd en in de gelegenheid gesteld verweer te voeren.

7.         Alvorens de behandeling wordt gesloten, wordt aan de betrokkene de gelegenheid gegeven nog tot zijn

            verweer dienende opmerkingen te maken.

 

Artikel 17. Toehoorders

 

1.         a.         Op verzoek van de betrokkene kan een vertegenwoordiger van zijn/haar vereni­ging/team als toe­

                        hoorder de mondelinge behandeling volgen.

            b.         De commissie kan – voor zover plaatsruimte dit toestaat - voorts aan andere perso­nen toestaan de

                        zitting als toehoorder bij te wonen, tenzij het een gesloten vergade­ring betreft als omschreven in

                        artikel 15 lid 3.

2.         Tenzij de commissie de toehoorder een verklaring vraagt, mag hij/zij tijdens de zitting niet het woord

            voeren en mag hij/zij het vertrek waarin de zitting wordt gehouden gedurende de zitting niet zonder

            toestemming van de voorzitter verlaten.

3.         Indien het gedrag van de toehoorder daartoe aanleiding geeft, kan de voorzitter de toehoorder verbieden

            de zitting verder bij te wonen.

4.         Een toehoorder kan in dezelfde zaak niet als getuige optreden.

 

Artikel 18. Getuigen

 

1.         a.         De commissie is bevoegd getuigen te doen oproepen en horen.

            b.         De betrokkene heeft het recht om tot uiterlijk tien dagen voor de dag waar­op de zitting wordt

                        gehouden, de namen en adressen van drie getuigen op te geven, met het verzoek deze op te

                        roepen. De voorzitter kan van die termijn afwijken.

            c.         Getuigen worden schriftelijk opgeroepen. Op verzoek van de com­missie geschiedt dit door het

                        bondskan­toor.

2.         a.         Leden van de organisatie die als getuigen worden opgeroepen zijn verplicht te verschijnen.

            b.         De commissie kan ook personen die geen lid van de organisatie zijn als getuigen doen oproepen.

                        Aan hen wordt schriftelijk medegedeeld dat zij niet verplicht zijn te verschijnen, doch dat in geval

                        van verschijning het bepaal­de in lid 4 op hen van toepassing is.

3.         a.         De competitie-/toernooileider wordt in een zaak die door hem/haar aanhan­gig is gemaakt als

                        getuige opgeroepen.

            b.         De commissie kan - al dan niet op verzoek van de betrokkene - deskundi­gen horen.

4.         a.         Een getuige is verplicht om naar waarheid te verklaren alsmede om, indien de voorzitter dit ver

                        langt, ter bevestiging van de juistheid van zijn/haar verklaring, een schriftelijke, zakelijke

                        samenvat­ting ervan met zijn handte­kening te bekrachtigen.

            b.         De voorzitter wijst de getuige vooraf op deze verplichting.

5.         a.         Behoudens het bepaalde in het volgende lid kunnen getuigen uitsluitend tijdens de behandeling

                        van de zaak worden gehoord.

            b.         Het verhoor geschiedt in tegenwoordigheid van de betrokkene. Hij/zij wordt in de gelegenheid

                        gesteld aan de getuigen vragen te stellen. Deze behoeven niet te worden beantwoord als naar het

                        oordeel van de voorzitter de vragen niet ter zake doende zijn.

            c.         Van hun verklaring wordt een schriftelijke, zakelijke samenvatting gemaakt.

6.         a.         Indien het voor de getuige redelijkerwijs onmogelijk is op de zitting aanwe­zig te zijn, kan hij/zij op

                        verzoek van de voorzitter een schriftelijke verkla­ring opstellen en ondertekenen, welke op de

                        zitting wordt voorgelezen en aan de stukken wordt toegevoegd.

            b.         Het bepaalde in lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

7.                     Indien de zaken niet gevoegd worden behandeld. kunnen betrokkenen in elkaars zaken als

                        getuigen worden gehoord.

 

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen met betrekking tot de behandeling van de zaak

 

Artikel 19. Verweer en (rechts-)bijstand

 

1.         a.         In geval van een overtreding is de betrokkene bevoegd schriftelijk verweer te voeren tegen

                        hetgeen hem ten laste is gelegd, welke verklaring binnen tien dagen na de betreffende wedstrijd

                        bij het bonds­kan­toor dient te zijn inge­komen.

            b.         De betrokkene is bevoegd schriftelijk verweer te voeren tegen hetgeen hem ten laste is gelegd,

                        welke verklaring binnen tien dagen na verzending van de medede­ling als bedoeld in artikel 14, lid

                        3 onder b, bij het bondskantoor dient te zijn ingekomen.

            c.         Bij twijfel over het tijdig inzenden van een in dit lid bedoelde verklaring, zal de in het poststempel

                        vermelde datum beslissend zijn.

            d.         De voorzitter kan bepalen dat een in dit lid bedoelde verklaring alsnog bij de stukken zal worden

                        gevoegd.

2.         a.         De betrokkene is bevoegd zich  bij het voeren van verweer zich te doen bij staan door:

                        1.         een ander lid van de organisatie;

                        2.         een advocaat of een juridische hulpverlener;

                        3.         alsmede in het geval van minderjarigheid van de betrokkene, door een ouder of voogd.

            b.         Aan de onder a. bedoelde raadsman komen dezelfde bevoegdheden toe als aan de betrokkene zijn

                        toegekend.

3.         Ingeval een zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, lid 1 onder b, is terug­ver­we­zen, biedt de CvB

            de betrokkene de gelegenheid van be­doeld verslag kennis te nemen en desge­wenst binnen een door de

            CvB te bepalen termijn, welke niet korter mag zijn dan zeven dagen, verweer te voeren.

 

 

Artikel 20. Terug verwijzing

 

1.         a.         De CvB is bevoegd een zaak terug te verwijzen naar de tuchtcommissie

                        van de D.O.T., indien zij meent dat de stukken welke op de zaak betrekking hebben niet volledig

                        zijn, alsmede wanneer bij de be­handeling in beroep nieuwe feiten naar voren worden gebracht

                        welke in eerste aanleg niet zijn onder­zocht.

            b.         De tuchtcommissie fungeert in geval van verwijzing ten behoeve van de­

                        CvB als een commissie van onderzoek. Zij doet zo spoedig mogelijk aan de CvB schrifte­lijk verslag

                        van haar bevindingen, welk verslag bij de stukken worden gevoegd. Het uitge­brachte verslag is

                        niet vatbaar  voor het tussentijds instellen van be­roep.

2.         Tegelijk met haar besluit tot  verwijzing beslist de CvB of de vertraging van de behande­ling als gevolg

            van de verwijzing een grond oplevert om de tenuitvoerlegging van een al dan niet voorlopig opgelegde

            straf op te schor­ten.

 

Artikel 21. Schorsing c.q. sluiting van de behandeling.

 

1.         Indien de commissie meent - hetzij ten tijde van de mondelinge behandeling, hetzij na de sluiting daarvan

            - nadere gegevens nodig te hebben, kan zij in afwachting daarvan de behandeling schorsen, dan wel

            indien de behandeling als gesloten is, die heropenen, indien dit het voordeel is van de betrokkene.

2.         Het in lid 1 bepaalde is van overeenkomstige toepassing, indien bedoelde commis­sie een vraag met

            betrek­king tot de uitleg en/of onderlinge volgorde van bepalingen van de Statuten of Reglementen aan

            het bestuur van de organisatie voor advies heeft voorgelegd.

3.         Nadat de commissie de door haar verlangde gegevens heeft verkregen, stelt zij de betrok­kene in de

            gelegen­heid om hetzij schriftelijk, hetzij mondeling nog tot zijn verweer dienen­de opmerkingen te maken.

4.         Indien de commissie meent ter beoordeling van de zaak alle benodigde gegevens te hebben verkregen,

            sluit zij de behandeling.

 

Hoofdstuk 7. Straffen.

 

Artikel 22. Straffen

 

1.         Als straf kunnen worden opgelegd:

            a.         berisping;

            b.         geldboetes tot een maximum van € 100,- voor een vereniging of team en tot een maximum van €

                        50,- voor natuurlijke personen; 

             c.         uitsluiting, als bedoeld in artikel 23 voor de duur van ten hoogste vijf jaar

            d.         oplegging van strafpunten, d.w.z. ontneming van winstpunten na de betref­fende competitie,

                        wedstrijd of toernooi, als bedoeld in het wedstrijdregle­ment van de organisatie;

            e.         het tijdelijk of definitief verbod om wedstrijden te organi­seren of onder auspiciën te doen

                        organise­ren;

            f.          het tijdelijk of definitief ontzeggen van het recht tot het uitoefenen van één of meer functies

                        binnen de organisatie als bedoeld in artikel 24;

            g.         schorsing, als bedoeld in artikel 25, voor de duur van ten hoogste vijf jaar;

            h.         royement als lid van de organisatie, als bedoeld in artikel 26.

2.         a.         Ter zake van één overtreding kunnen meer straffen worden opgelegd, met dien verstande dat een

                        beris­ping en een royement niet tezamen met een andere straf kunnen worden opgelegd, alsmede

                        een uitslui­ting en de ontzeg­ging van het recht tot uitoefening van een functie niet tezamen met

                        een schorsing.

            b.         In geval van bestraffing van meer overtredingen kunnen meer straffen wor­den opgelegd, echter

                        niet tezamen met een royement.

3.         a.         Met uitzondering van de in lid 1 onder a en h genoemde straffen, kunnen overige straffen geheel

                        of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd, met dien verstande dat de hieraan bij uitspraak te

                        verbin­den voorwaarden slechts kunnen inhouden het verrichten of nalaten van bepaalde

                        handelin­gen, als­mede het treffen van maatrege­len ter voorkoming van herhaling.

            b.         Aan een voorwaardelijk opgelegde straf wordt een proeftijd verbonden van ten hoogste twee jaar

                        behoudens verlenging als bedoeld in lid 4 onder a.

4.         a.         In geval de betrokkene binnen de proeftijd in strijd handelt met de hem gestelde voorwaarde(n),

                        wordt zulks aangemerkt als een overtreding en kan de aan de betrokkene voorwaardelijk

                        opgelegde straf worden omgezet in een onvoorwaardelij­ke straf, dan wel zijn proeftijd tot ten

                        hoogste drie jaar worden verlengd.

            b.         Indien de onder a. bedoelde overtreding naar het oordeel van de commissie van ernstiger aard is

                        dan de overtreding waarvoor eerder een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke straf is opgelegd,

                        kan de commissie aan de betrokkene behalve het onder a. bepaalde tevens één of meer straffen

                        als genoemd in lid 1 opleggen. In laatst bedoeld geval dient bij bepaling van de strafmaat rekening

                        te worden gehou­den met de omzetting van de voorwaar­delijke straf in een onvoorwaardelijke straf.

            c.         Indien tegelijk met de behandeling van een overtreding als bedoeld onder a. nog een andere door

                        de betrokkene begane overtreding wordt behandeld, is het bepaal­de onder b. eveneens van

                        toepas­sing en is ter zake van de nieuw te berechten overtreding het bepaalde in de overige leden

                        in dit artikel weder­om van toepassing. Bij de bepaling van de strafmaat voor laatst bedoelde

                        overtreding behoeft alsdan geen rekening te worden gehouden met de om­zetting van de

                        voorwaardelijke in een onvoorwaardelijke straf.

5.         a.         In afwachting van de behandeling van de zaak door de tuchtcommissie, kunnen in ernstige

                        gevallen de in lid 1 onder c, e en g genoemde straffen door de voorzitter van de tuchtcommissie

                        voorlopig worden opgelegd.

            b.         Een voorlopige straf kan slechts worden opgelegd voor de duur van ten hoogste dertig dagen en

                        kan voordien door een tuchtcommissie geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.

 

Artikel 23. Uitsluiting

 

1.         a.         Een uitsluiting van deelname aan, of het leiden van wedstrijden kan alleen worden opgelegd naar

                        aanleiding van een overtreding van de wedstrijdre­glementen.

            b.         Een uitsluiting van deelname aan wedstrijden wordt opgelegd voor met namen in de uitspraak te

                        noemen wedstrijden, dan wel voor wedstrijden die zijn vastgesteld voor een in de uitspraak te

                        noemen tijdsduur.

2.         Onder de in lid 1 onder b bedoelde wedstrijden worden verstaan alle on­der auspi­ciën van de dartsor­ga­ni­

            sa­tie geor­gani­seerde wedstrij­den.

3.         Indien een betrokkene die door de dartsorganisatie in de mogelijkheid is gesteld uit te komen in een

            vertegen­woordigend team van de organisatie tijdens activiteiten van dit team een overtreding begaat,

            kan de hem op te leggen uitsluiting van deelname aan activiteiten alleen betrekking hebben op de

            activiteiten waar­aan bedoeld team deelneemt, tenzij naar het oordeel van de commissie de betrokkene

            door zijn overtreding de belangen van de dartsorganisatie of de dartssport in het algemeen heeft

            geschaad.

 

Artikel 24. Ontzegging uitoefening functies

 

1.         De straf waarbij de betrokkene tijdelijk of definitief het recht wordt ontzegd één of meer functies uit te

            oefenen kan alleen worden opgelegd, indien de betrokkene bij de uitoefe­ning van zijn functie een

            overtre­ding heeft begaan.

2.         In de uitspraak wordt bepaald voor welke duur de uitoefening van welke functie aan de betrokkene is

            ontzegd.

 

Artikel 25. Schorsing

 

1.         Schorsing kan alleen worden uitgesproken wanneer de betrokkene handelt in strijd met de algemeen

            geldende normen en waarden en daarmee de belangen van de dartsorganisatie of de dartssport in het

            algemeen heeft geschaad.

2.         Een schorsing wordt opgelegd voor een in de uitspraak genoemde termijn.

3.         a.         Gedurende de schorsing kan de betrokkene niet aan wedstrijden  deelnemen inschreven in artikel

                        23 onder a en/of aan het lidmaatschap verbonden rechten uitoefenen, met uitzondering van het

                        recht om tijdig in beroep te gaan van de hem opgelegde schorsing.

            b.         Tenzij anders in de uitspraak is bepaald, blijft de betrokkene gehouden om tijdens zijn schorsing

                        de verplichtingen die uit het lidmaatschap van de organisatie voort­vloeien na te komen.

            c.         Tevens kan de commissie de verenigingen/teams adviseren eenzelfde schor­sing aan te nemen.

 

Artikel 26. Royement

 

1.         a.         Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd handelt met

                        de Statuten, Reglementen of besluiten van de organisa­tie of de organisatie op onredelijke wijze

                        benadeelt.

            b.         In afwijking van het bepaalde in artikel 30, lid 2 over a. kan de betrokkene binnen één maand na

                        ontvangst van de kennisgeving in beroep gaan bij de Commissie van Beroep.

            c.         Gedurende het beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

2.         Het bestuur van de organisatie is verplicht om na kennisgeving van het uitgespro­ken royement de

            betrokke­ne met onmiddellijke ingang als lid van de organisatie te schorsen en na het onherroepelijk

            worden van het uitgesproken royement de be­trokkene met onmiddellijke ingang het lidmaatschap van de

            organisatie op te zeg­gen, en op naleving hiervan toe te zien.

 

Hoofdstuk 8. Beraadslaging en uitspraak

 

Artikel 27. Beraadslaging

 

1.         a.         De beraadslaging over de tenlastelegging geschiedt terstond na het sluiten van de behandeling.

                        De beraadslaging vind niet in het openbaar plaats.

            b.         De commissie beslist met meerderheid van stemmen.

2.         De commissie grondt haar uitspraak op de stukken en verklaringen waarvan de betrokke­ne heeft kunnen

            kennis nemen en/of waarvan de zakelijke inhoud hem ter zitting is medegedeeld.

3.         a.         Indien een tuchtcommissie van oordeel is dat de tenlastelegging ongegrond is, spreekt zij de

                        betrokkene vrij.

            b.         Indien de CvB van oordeel is dat een uitspraak van de tuchtcommissie

                        niet in stand kan blijven, wijzigt zij deze uitspraak en bepaalt zij ter zake van welke overtreding

                        welke straf aan de betrokkene wordt opgelegd, of spreekt zij de betrokkene vrij.

4.         a.         Indien de tuchtcommissie van oordeel is dat de tenlastelegging gegrond is, bepaalt zij ter zake van

                        welke overtreding welke straf wordt opgelegd.

            b.         Indien de CvB van  oordeel is dat de onder a. be­doelde uitspraak van

                        de tucht­commissie in stand kan blijven, bevestigt zij deze uitspraak.

5.         a.         Indien de tuchtcommissie meent dat de tenlastelegging gedeeltelijk gegrond is, bepaalt zij welke

                        overtre­ding begaan is en welke straf voor die overtre­ding wordt opgelegd en spreekt zij de

                        betrokkene voor het overige vrij.

            b.         Indien de CvB meent dat de onder a. bedoelde uitspraak van de

                        tuchtcom­missie gedeeltelijk in stand kan blijven, bevestigt zij voor dat gedeelte de uitspraak en

                        wijzigt voor het overige de uitspraak. In laatst bedoeld geval kan de

                        Commissie van Beroep de betrokkene ten aanzien van met name genoemde onderdelen

                        vrijspreken of een straf bepalen.

6.         Bij het bepalen van de op te leggen straffen wordt zoveel mogelijk in gelijksoortige zaken dezelfde

            maatsta­ven aangelegd.

7.         De commissie bepaalt te wiens laste de kosten, die aan de behandeling van de zaak zijn verbonden

            komen.

8.         De commissieleden dienen over hetgeen tijdens de beraadslaging is besproken geheimhou­ding te

            bewaren.

 

Artikel 28. Bewijs

 

1.         Het bewijs van een overtreding is geleverd indien naar het oordeel van de commis­sie, met inachtneming

            van het in lid 2 bepaalde, het overtuigend bewijs is geleverd dat de betrok­kene een overtreding, als

            bedoeld in artikel 11 heeft begaan.

2.         De commissie kan haar bewijs alleen gronden op stukken, schriftelijke verklaringen en/of op visuele

            registra­tie, met dien verstande dat het bewijs niet kan worden gegrond op één enkel stuk, één enkele

            verklaring of alleen op visuele registratie.

 

Artikel 29. Uitspraak

 

1.         De commissie doet uiterlijk achtentwintig dagen na het sluiten van de behandeling schrif­telijke uitspraak.

2.         a.         Indien naar haar oordeel daartoe gronden aanwezig zijn is de commissie bevoegd om met

                        inachtne­ming van het in lid 1 bepaalde, terstond na de beraadslaging uitspraak doen.

            b.         De onder a. bedoelde uitspraak geschiedt in het openbaar.

3.         In de uitspraak wordt vermeld:

            a.         het tenlastegelegde;

            b.         of een overtreding bewezen is geacht en zo ja, welke overtreding;

            c.         voor welke overtreding(en) een straf is opgelegd;

            d.         vanaf welke datum de straf zal worden tenuitvoergelegd;

            e.         of, en zo ja, tot welke kosten de betrokkene wordt veroordeeld; alsmede in geval van een

                        voorwaardelijke strafoplegging:

            f.          welk deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd, alsmede ter zake van welke overtreding;

            g.         op welke datum de proeftijd zal zijn beëindigd; en voorts wanneer een zaak vatbaar is voor beroep:

            h.         binnen welke termijn van de uitspraak in beroep kan worden gegaan.

4.         De uitspraken van de tuchtcommissie van de D.O.T. en van de CvB bevatten tevens de overwegingen

            welke tot de uitspraak hebben geleid.

5.         a.         De uitspraak wordt per aangetekende brief aan de betrokkene toegezonden en - in voorkomende

                        geval­len - aan de vereniging/team waaronder hij/zij ressorteert.

            b.         De uitspraken van de tuchtcommissie van de D.O.T. en van de CvB

                        worden in beknopte vorm en zonder vermelding van de daar­aan ten grondslag liggende

                        overwegingen gepubliceerd in het officiële bondsorgaan van de organisatie.

            c.         Wanneer in hoger beroep na een gepubliceerde veroordeling geheel of gedeeltelijk vrijspraak

                        volgt, vind op verzoek van de betrokkene rectificatie plaats.

6.         De uitspraken van de CvB, alsmede van de tuchtcom­missie van de D.O.T. indien daarvan niet tijdig beroep

            is ingesteld, zijn onherroepe­lijk en voor alle leden van de organisatie bindend.

 

Hoofdstuk 9. Rechtsmiddelen

 

Artikel 30. Beroep

 

1.         Met inachtneming van het bepaalde in artikel 31, kan van een uitspraak van de tuchtcom­missie, waarbij de

            ten laste gelegde overtreding geheel of gedeelte gegrond is verklaard, door de betrokkene beroep

            worden ingesteld bij de CvB.

2.         Met inachtneming van het bepaalde in artikel 31, kan van een uitspraak van de CvB, waarbij de ten laste

            gelegde overtreding geheel of gedeelte gegrond is verklaard, door de betrokkene beroep worden

            ingesteld bij de tuchtcommissie van de NDB of het I.S.R.. Deze commissie zal dan eveneens fungeren als

            commissie van Beroep.

2.         Voor het instellen van beroep tegen de uitspraak van de tuchtcom­mis­sie van de D.O.T. wordt verwezen

            naar het tuchtreglement van de NDB, artikel 30.

 

Artikel 31. Herziening en gratie

 

1.         a.         Op grond van feiten en omstandigheden, welke bij de behandeling niet bekend waren of niet ter

                        kennis van de betreffende commissie zijn geko­men, kan de be­trokkene om gehele of gedeeltelijke

                        herziening van de opge­leg­de straf verzoeken.

            b.         Om herziening kan alleen worden verzocht, wanneer tegen de opgelegde straf geen beroep meer

                        mogelijk is.

            c.         Een verzoek om herziening moet schriftelijk met vermelding van motiva­tie bij het bonds­kan­toor

                        wor­den ingediend en wordt behandeld door de com­missie die de betref­fende straf heeft opgelegd.

2.         a.         In gevallen waarin aan de betrokkene een straf is opgelegd waartegen geen beroep meer

                        openstaat, alsmede in gevallen waarin een verzoek om herzie­ning niet van toepassing is, kan de

                        betrokkene bij het bestuur van de orga­nisatie een verzoek tot gratie indienen.

            b.         Indien tegen een opgelegde straf geen beroep meer openstaat, kan een verzoek tot gratie alleen

                        worden ingediend wanneer een straf met een lan­gere duur dan van een half jaar is opgelegd,

                        waarvan twee/derde van de straf is ondergaan.

3.         Een verzoek tot gratie schort de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf niet op.

4.         Alvorens op verzoek tot gratie zal worden beslist, hoort het bestuur van de organi­satie de commissie die

            de zaak voor het laatst in behandeling heeft gehad.

5.         Indien gratie wordt verleend, geschiedt zulks immer op voorwaarde dat de betrok­kene gedurende de tijd

            welke hem kwijtgescholden is, zich niet zal schuldig maken aan het begaan van een soortgelijke

            overtreding, bij gebreke waarvan in artikel 22 lid 4 van toepassing is.

6.         In geval van herziening en gratie vind een publicatie plaats conform het bepaalde bij artikel 29, lid 5 sub b.

 

 

Hoofdstuk 10. Tenuitvoerlegging

 

Artikel 32. Tenuitvoerlegging

 

1.         De in dit reglement bedoelde dartsverenigingen, personen, organen, commissies, alsmede het bestuur

            van de organisatie zijn, ieder binnen de kring van hun eigen bevoegdheden, verplicht er zorg voor te

            dragen, dan wel er op toe te zien, dat de opgelegde straffen worden tenuitvoergelegd.

2.         a.         De tenuitvoerlegging van een opgelegde straf vangt daags na de uitspraak aan, tenzij in de

                        uitspraak anders is beslist. De tenuitvoerlegging van een overeenkom­stig het bepaalde in artikel

                        22 lid 5 voorlopig opgelegde straf wordt met onmiddel­lijke ingang aangevangen, respectievelijk

                        opgeschort, tenzij de voorzitter van de tuchtcommissie anders bepaalt.

            b.         De opschorting van de tenuitvoerlegging ingevolge het bepaalde in arti­kel 30, lid 5 geschiedt eerst

                        na een daartoe strekkende mededeling van de voorzitter van de tuchtcommissie van de NDB.

3.         De tenuitvoerlegging van een opgelegde straf, waarbij de betrokkene is uitgesloten van het deelnemen

            aan, of het leiden van wedstrijden kan door de commissie na het competitie ­jaar voor het resterende

            gedeelte worden opge­schort tot aan de aan­vang van het nieuwe sei­zoen.

4.         Indien de betrokkene is uitgesloten van het deelnemen aan, of het leiden van wedstrijden, heeft de

            tenuit­voerleg­ging ten aanzien van een wedstrijd eerst plaats­gevonden:

            a.         nadat van de opgelegde wedstrijd alle onderdelen zijn afgewerkt;

            b.         indien van een wedstrijd, welke werd gestaakt, meer dan twee/derde van alle onder­delen zijn

                        afgewerkt.

5.         Wanneer de opgelegde straf bestaat uit een geldboete geschiedt de tenuitvoerleg­ging door de

            penningmees­ter.